De erfenis van het verzinnen van zinnen

Zoals ik eerder al vertelde, denk ik met een mild hart aan mijn vader. Hij kon maken wat zijn handen zagen en timmerde meubelen als de eerste de beste. Maar goed, dat met die zinnen van hem, dat was toch andere koek toen. ‘Het is iets typisch’, zei onze Tante To nog in de aula bij de koffie met cake tegen mijn een-na-oudste zus en mij. Toeval of niet, het was na de begrafenis van Daan Krijger.

Naarmate wij ouder werden – mijn zes broers, zussen en ik – vonden wij de zinnen van onze vader vaak hoogst ongemakkelijk. Wij schaamden ons steeds vaker voor onze zogenaamd dicht-zinnen-makende vader. Ik herinner mij dat hij eens aan ons buurmeisje Lotteke vroeg: ‘Is je vader nog met je moeder getrouwd?’.  Lotteke keek op naar mijn vader of het in Keulen donderde – deed haar hoofd een beetje scheef, zoals een trouwe hond kan doen – en zette dan grote ogen op. Wij zagen daar de tranen inspringen. Vervolgens zette zij het op een lopen naar haar huis. Ze moest het wéten… of haar ouders nog getrouwd waren, of dat ze misschien in scheiding lagen.

Als ik met mijn innerlijke ogen naar de beelden van toen kijk, dan kan ik daar nu de geestigheid of misschien het aparte van inzien. Eigenlijk ook wel het vermakelijke en ontregelende. Toen had ik dat niet. Ik sloot mezelf af in onze oude schuur tussen de bloempottenverzameling, die mijn moeder daar onderhield. Ik verstopte mij met het idee dat mijn vader mij niet begreep en ik hem niet. Lastig was dat, zo’n kind-ouder kwestie.

Nu zie ik de diepere bodems onder zijn woorden en zinnen en de betekenis daarvan. Ik sta er bij en besef het magische gegeven er in. Ik zie hoe een woord of een zin een kleur kan krijgen (in plaats van toen wij die als kinderen kregen). Ik hoor een melodie en realiseer mij regelmatig dat die je hele leven kan doorduren. Als jonge jongen kon ik dat niet weten, ik had het niet ervaren.

Maar wie had dat gedacht? Jaren later maak ik zelf zinnen en verhalen. En als ik die wil onthouden – of een richting wil geven – noteer ik ze op kassabonnen, aan de randen van postzegelvellen of bierviltjes, of aan de onderkant van oude sigarendozen (die schrijven wel heel prettig!). En als er een uitgelezen dag voor is, dan maak ik er combinaties van in taalschilderijen.

Er is zoveel meer nu. Morgen ga ik Oom Dorus schrijven of hij luitmuziek wil maken. Ik heb nog een kleine serie zinnen liggen, die ik schreef over de zomer in de natuur. Daar past vast heel mooi muziek onder. Dat is waar ík zin in heb!

Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Verhalen en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.