Zeeuwse verhalen uit het hoofd

Zeeuws zilver, bloedkoralen, soepkippen, de kust, 1953, babbelaars, stroopwafels, de heren, de kerkgang. Hij noemde een heleboel op bij zijn vraag: ‘Kunt u daar iets over schrijven?’ De man in het streepjespak met het groene overhemd en de zilveren stropdas legde de klemtoon op ‘daar’ en ‘schrijven’. Hij was helemaal uit Middelburg naar mij toegekomen met ZIJN persoonlijke vraag aan MIJ: een mooi verhaal schrijven voor een Zeeuwse brochure. 

‘Via via’ was hij bij mij terecht gekomen (een lang verhaal, dat er nu niet zo toe doet) en de link is mevrouw Aan den Oever. Die goeie mevrouw Aan Den Oever, die ik nooit ontmoet heb, maar die ik heb leren kennen uit de verhalen van Tante To en Jason. Door de jaren heb ik hier in mijn gedachten een bijzondere band mee opgebouwd.

Nu ik door mijn oogharen kijk, zie ik haar zo voor me. Ik ruik verse schol en 4711-cologne. Haar volledige naam was Hedwich Aan Den Oever-Verbeesd en zij was er zo één waar je niet om heen kon. Want als je haar zag, moest je wel naar haar kijken of je het wilde of niet. Ze was een aangetrouwde nicht van Tante To en woonde het grootste gedeelte van haar leven aan de Zeeuwse kust. Ze werd daarom binnen onze familie steevast ‘de Zeeuwse’ genoemd.

Welnu, zij moest dus centraal gaan staan in het verhaal voor de Zeeuwse brochure. De zilveren stropdas-meneer heeft me veel succes gewenst en komt over drie dagen terug om het verhaal op te halen. Om een waarachtig verhaal in drie dagen tijd te kunnen schrijven over Zeeland en de Zeeuwse moet ik wel teruggaan in mijn herinneringen en in mijn onderbewustzijn kijken.

Ik orden mijn beelden, met de zinnen daaronder. Ik zet het leven van de Zeeuwse op een rij. Ik waan mij terug in de lange warme zomers, tijdens de oneven jaren, wanneer wij logeerden op de Friese boerderij van Tante To en haar vriend en knecht Jason. Korte broeken, de kniekousen mochten uit en op blote voeten waadden wij door het Fryske boerenleven. Ik hoor het hooien, proef het melken en ruik de jonge katjes, ben weer op de deel, met de muziek, het plezier met verhalen die vaak over de Zeeuwse gingen.

Och ja en als de avond viel en de gordijnen dicht gingen, dan wisten wij niet meer hoe laat het was. Jason deed dan de petroleumlampen aan en rinkelde vervolgens met een eentonig geitenbelletje. Wij wisten dan dat het tijd was voor een verhaal. Zo spannend, iedere keer weer.

Als schapen verkleed – in ons nachtgewaad – kwamen wij dan door de avondschemer het haardtreetrapje af en gleden een voor een naar binnen, de deel op. Als we allemaal klaarzaten op de dikke veren kussens, sloot Tante To de tussendeuren van de gang (die doorliep naar de keuken en uitkwam in de pronkkamer) en de deel. Dat deed ze behoedzaam met een oogje op het haakje.

De verhalen over de Zeeuwse logen er niet om. Wij, als kinderen, luisterden er met gepaste eerbied naar, soms ook met een mix van onzekerheid, verlegenheid of leedvermaak. Tante To vertelde over de Zeeuwse zoals ze sprak, alsof ze de beelden voor zich zag op haar netvlies op dat moment.

Ze zette dan haar stem op die een beetje klonk als Edith Piaf (eigenlijk imiteerde ze Piaf, omdat ze er ook op leek). Ze zong haar woorden en zinnen soms. En Jason, die had zijn gezicht dan wit gemaakt (wij dachten dat het tandpasta was) en beeldde de verhalen uit in pantomime. Hij begeleidde zichzelf en Tante To daarbij soms op een oude altviool of een zingende zaag. Alles er bij zonder te praten, want dat deed Tante To dan. Zo hoorde ik veel over Zeeland en de Zeeuwse. 

En iedere keer als we zaten, herinnerde ik mij er snel aan om Tante To een koolpotlood of lippenstift te vragen. Dan kon ik de zinnen noteren, die mij boeiden. Dat deed ik op eerst-pagina’s van oude boeken en op pagina’s van telefoonboeken uit vergeten telefooncellen en op allerlei kladjes die maar voor handen waren.

Ineens weet ik het weer! Er waren twee Zeeuwse tijden. Er was een tijd vóór de scheiding en er was er een nà de scheiding. Vóór haar scheiding was ze jong getrouwd met een Zeeuwse wiskundedokter en was ze miss Zeeland geweest. Nà haar scheiding was ze in de heer gegaan. Die actie stak ze niet graag onder stoelen of banken. Het was haar heer, die ze iedere zondag ontmoette in de kerk en waar zij haar Wilhelminapepermunten mee deelde. Punt. Zo was het doorgegeven door Tante To en door Jason die dat duidelijk ondersteunde.

Dit gaat nog, denk ik nu. Ik kan het zo terughalen voor de brochure. Maar er was meer. Enfin, ik ga morgen eens op zoek naar mijn aantekeningen en zinnen in telefoonboeken, sigarendozen, kattebelletjes, droedels, bierviltjes en voorste-pagina’s-uit-oude-boeken uit die tijd. Daarvoor moet ik naar de zolder, door de spinnewebben reiken, tussen heel veel dozen door. Maar het zal vast lonen en ik beloof het, ik kom zo snel mogelijk terug met verhalen van de Zeeuwse voor de Zeeuwse brochure. Ik moet ook wel, want ik heb het beloofd.

[Wordt vervolgd]

 

Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Verhalen en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Zeeuwse verhalen uit het hoofd

  1. Annuska zegt:

    Kan niet wachten tot je de zolder bent opgedoken, om zinnen uit het verleden te gaan herschrijven en je aantekeningen bij elkaar hebt gezocht
    Leuk en knap ook
    Groeten
    Annuska

  2. Neneh zegt:

    Iets onsamenhangend dacht ik nog. Maar er was een voor en een na en dat maakt het weer een geheel… succes met vervolg en zoeken

Reacties zijn gesloten.