Zeeuwse anekdotes rijgen zich aaneen

Gevonden! Handig als je dozen voorziet van stickers. Daar had ik nu goed profijt van. Wel vijf telefoonboeken en dertien voorste-pagina’s uit oude-boeken. Ook nog een paar doosjes met briefjes, droedels, sigarendozen, bierviltjes en wat kattebelletjes gevonden. Ik schatte in dat alles compleet was voor de Zeeuwse brochure. Ik had nu immers het Zeeuwse archief, de notities uit de verhalen van Tante To en mijn niet-geschreven herinneringen over Zeeland en de Zeeuwse. Daarnaast kwamen er nu met wat oude Zeeuwse kranten, nu ook geluiden van de zee, de geuren van vis en het zicht op kustlijnen, verder boven water drijven.

Gisteren en vandaag had ik mooi de tijd om de verschillende zinnen, schrijfsels en anekdotes door te bladeren. Dat is fijn, want hier in de buurt is het komkommertijd met kindervakantiespelen, praalwagenrijtoeren en fanfareoptochten, waar ik liever niet aan deelneem, omdat het zo druk is. Daarnaast had ik natuurlijk al mijn tijd nodig, want morgen om 16.00 uur zou de meneer met de zilveren stropdas mijn verhaal komen ophalen.

In een van de telefoonboeken had ik iets kunnen vinden over rituelen en relikwieën: ‘Ook andere Zeeuwen in ons dorp eerden zichzelf en hun naasten met verschillende rituelen. De oudere mannen dopten erwten in washandjes. De vrouwen hingen deze aan muren in de pronkkamers. In een ander boek zag ik inderdaad een afbeelding van twee muren met tientallen washandjes aan zilveren hangers in een pronkkamer, als hingen ze te drogen als trotse relikwieën’.

Op de achterkant van een sigarendoos van een Duits merk las ik iets over karmakapjes: ‘…die droegen de Zeeuwsen dan onder de grote kap. Als de grote kap afging had je nog een extra kapje voor binnen. Sommige vrouwen gebruikten het karmakapje als kookkapje, maar als dat gezien werd, kreeg je een reprimande aan je karmakapje, een klein geborduurd label met een bloedkoraaltje’.

In een roestig sigarettenblikje vond ik – tussen wat roestige sleutels en een gouden knopspeld – wat opgerolde briefjes met notities: ‘Voor na de Kerst voedsel uitzoeken en voorbereiden’. En: ‘Kijk uit naar dode vissen’, met op de achterzijde in blokletters geschreven: ‘Veren plukken voor kussens’ en gelijk daaronder: ‘Dan naar de stad. Snavels knippen en verkopen’.

Nu herinnerde ik het mij weer. Na de oorlog hadden ze het niet breed. Vooral na de Kerstperiode was er zo weinig, dat ze veel van haar gewone gewicht verloor. Dit gebeurde ieder jaar. Als ze wel eens echt honger had in zo’n tijd, dan at ze wel eens wat runewormen of gestroopte dieren uit het bos. Ik las vandaag nog ergens dat ze wel eens op jacht ging voor ‘een dagpatrijsje tussendoor’, dat ze dan zelf schoot. Rondom een bierviltje stond geschreven: ‘Naast de dagpatrijzen gingen er gerust ook nog wel eens wat ‘jonkies’ doorheen’.

Vanaf mei sterkte ze zichzelf dan weer aan met soepkippen en jonge zelfgeslachte haantjes. Van de veren maakt ze kussens en klederdrachtstukjes. De snavels spaarde ze om ze later als knopen te verkopen in de stad. Al deze vaardigheden had ze in de oorlog opgedaan.

Op basis van kattebelletjes en aantekeningen op bierviltjes kwam er vanmiddag nog iets anders aan het licht: de drie jonge neefjes. Ik had wel eens van ze gehoord. De drie broertjes, die zo konden zijn weggelopen uit een automobielkerkhof. In schoolvakanties logeerden ze vaak bij de Zeeuwse. Het eerste wat zij deed als ze aankwamen was ze wassen in een grote teil in de tuin. Daarna mochten ze pas naar binnen.

Mijn moeder had ons destijds wel eens verteld over de neefjes. In het Zeeuwse dorp werden ze wel ‘Kwik’, ‘Kwek’ en ‘Kwak’ genoemd, omdat ze drie dezelfde petjes droegen en er als drieling hetzelfde uitzagen. En nu kon ik dat ook rijmen. Op een bierviltje las ik over de drie neefjes: ‘Overal smeer op haar en huid en schroefjes her en der, natuurlijk in hun zakken uit onderdelen van automobielen’.

Wanneer ze in vakanties kwamen logeren, kwamen ze soms één voor één. Dat kon de Zeeuwse dan goed hanteren. Kwamen ze alle drie tegelijk, dan had ze één en ander minder makkelijk in de smiezen, want de neefjes haalden veel kattenkwaad uit, zoals het spugen van boterbabbelaars naar voorbijgangers, of het werpen van forellenkoppen naar de dorpsoudste, met zijn zeven katten. Dat konden ze eindeloos doen, vanachter een muurtje van de Openbare School.

Voor me lagen nu de anekdotes van de neefjes. Vreemd wat ik las, terwijl ik toch wel wat gewend was. Op een hele oude kapperskassabon stonden in petieterige lettertjes vreemde zinnen. Wat denk je hiervan: ‘Na een week heeft zij de jongens er telkenmale goed onder. Zij wast ze dagelijks met groene zeep brandschoon en kleedt ze dan mooi aan als Zeeuwse meisjes. Hierbij verkiest zij telkenmale typische Zeeuwse stoffen met perkament en haneveertjes. Ze laat ze lopen in goed gareel in klederdracht en houdt ze er daarmee netjes onder, zo goed als zij kan’.

Wat een vreemde tekst en wie had dit geschreven? Hier moest ik echt over nadenken en ik zou nog wat verder onderzoek moeten doen in mijn archieven. Misschien zouden de Zeeuwse kranten mij hierover ook nog wat opheldering kunnen bieden?

Hoe laat was het? Ik had nog een dag, dan moest de brochure af zijn. Nu, eerst eten. Ik rammelde. Een stamppot wortelen dan maar en dan gelijk nog even door. Niet te laat naar bed. Morgen zou ik alles ordenen op sfeer en op tijd, van groot naar klein en dat dan op chronologische wijze uitleggen op tafels. Daarna kon ik het brochureverhaal eigenlijk makkelijk aaneen rijgen: ‘Op hoop van zegen’, zouden we kunnen zeggen. Maar dat met de neefjes zat mij niet echt lekker.

[Wordt vervolgd]

Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Verhalen en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.