Zeeuws bezoek en magische vondsten

Het was het bijna zo ver. 10 minuten voor de klok van 4. Ik was voor het raam gaan zitten en keek uit over de straat. Zo kon ik zien of Van Schaik, de zilveren-stropdas-meneer, er aan zou komen. De hele ochtend had ik nog geschreven en tot een uur geleden zette ik de laatste puntjes op de i. Nu was de brochure klaar: 11 vellen lang. Ik had ze in een oude hemdendoos gedaan. Die stond nu voor me op de lage tafel. Alles stond gereed voor het bezoek van Van Schaik; thee, kopjes, Abdijsiroop, stroopwafels en natuurlijk een stoel. 

In een van de telefoonboeken had ik nog een tekening gevonden van de oorijzers en de omslagdoek, die de Zeeuwse gedragen moest hebben. Vannacht was er een gedachte opgekomen dat ik misschien noten zou moeten toevoegen in de brochure. Ook leek het mij correct om een overzicht toe te toevoegen met tekeningen en droedels van de Zeeuwse. Maar ik liet die gedachten varen, het was misschien te veel, of zelfs te overdreven. Het was immers een brochure en geen novelle of een historische roman.

Toch voelde ik mij als een personage in een roman of een toneelstuk. Dat kwam grotendeels ook omdat ik nog zinnen en notities had gevonden van drie hele goede bekenden, niemand minder dan Tante To, Oom Dorus  en mijn eigen moeder. Ze lagen in een schoenendoos onder wat kaarten van Friesland en Zeeland en een Mens-Erger-Je-Niet-Spel voor op reis: een stapel voorste-pagina’s uit oude boeken. Onder aan de pagina’s herkende ik hun initialen: ‘t.o.’ (Tante To), ‘d.o.’ / ‘d.o. Rus’  (Oom Dorus) en ‘ma’ (mijn moeder). Ik herkende er namelijk de naam van hun muziektrio in: ‘MamaToDo’. Soms leek het of ze de zinnen aan elkaar hadden geschreven, dan weer moest ik denken aan boodschappen, gedachten of puzzels: 

– ‘Zeeuwse windvlagen waaiden met het hemd nader dan de rok. Die kon ze nog voldragen. Het steevaste geloven legt Zeeland aan Friesland banden in plooien van broeken aan dijken, stil. (je t.o.)’

– ‘Het is haar meer waard dan zij in God gelooft: haar kerken-Bijbeltje met een voorwoord van onze eigen priester Lindhout. Het kent drie vrije gedachten, vijftien onvrije verzen en veel oude proza tot aan het preekgestoelte. Groetend, D.o. Rus’

– ‘Duitsers malen er niet snel omheen, wassen eigen polsen met kluitjes in ’t oeverriet. Ze zien de kinderen niet (Van Hedwich).

– Je karma heb je er niet mee terug. Je draagt je eigen kapje en je kruis. Wie dit leest, leest de toekomst goed.’ (ma)

Zo stonden er nog een aantal. De meeste zinnen begreep ik niet. Wat ik wel doorhad was, dat ze elkaar schreven in een soort geheimentaal. Maar waarom precies? Hoe dan ook, ik had er wel een aantal mooie sfeerbeelden bijgekregen voor het schrijven van de brochure. Maar er was nog wel een kwestie die ik natuurlijk wilde oplossen: die van de neefjes. Er was duidelijk iets aan de hand, dat voelde ik ook tijdens het wachten op Van Schaik.

Hij had zich bij binnenkomst, behalve met zijn achternaam, nu ook met zijn voornaam voorgesteld. ‘Zegt u maar Wim, alstublieft’, zei hij, terwijl hij mij met zijn hoofd schuin vragend aankeek. Hij droeg een schipperspet die hij op de kapstok had gelegd, terwijl hij zei: ‘Zo die ligt’. ‘Dan ben ik Tobe’, had ik beslist gezegd.

Wim was in de bezoekersstoel tegenover me gaan zitten en proefde voorzichtig met de rand van het kopje aan een slokje thee. Hij deed zijn ogen er bijna bij dicht. Het was niet te heet en hij nam gelijk nog een slokje. Hij had dit keer geen zilveren stropdas voor, maar een wit-blauw gestreepte das, dat een wapentje van Zeeland -teer- op zich droeg. Op het borstzakje van zijn colbert zat een echt antiek Zeeuws knoopje. Dat zag ik wel.

[Wordt vervolgd]

Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Verhalen en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.