Zeeuwse dekmantels en bijtringen

‘Mooi’, zei hij bedachtzaam. ‘Mooi ja, goed’ en hij had zijn wijsvinger over zijn lippen gelegd. ‘Welnu, mag ik u vragen – als ik niet onbescheiden ben – om nog een klein stukje voor te lezen, iets van aan het eind, misschien?’ Even dacht ik dat hij me een cijfer zou gaan geven voor het voorlezen, maar toen hij zijn ogen half dichtdeed en een luisterhouding aannam, pakte ik de hemdendoos van de tafel. Ik legde pagina 3 er in terug en nam pagina 10 er uit. ‘Deze dan’, zei ik, ‘Over Zeeuwse gebouwen en cultuur’:

‘In Zeeuwse kerkers en bibliotheken maakt u een goede kans zich te verdiepen in de historie van typische Zeeuwse bouwkunst. Mensen kunnen daar heel diep en lang zwijgend stil zijn en elkaar heel goed in acht nemen. Juist deze zwijgende stiltes zijn bijzonder binnen de Zeeuwse cultuur. U ziet ze dan ook vaak terug tijdens de maaltijden en in verschillende ceremoniën. Wanneer we dat vergelijken met bibliotheken in …’. Wim onderbrak me: ‘Ik hoor het al, wat weet u toch een mooie en bovenal boeiende toon voor Zeeuwse verhalen te raken’.

Hij vertelde mij nu over Zeeland, over gewoontes en gebruiken, hoe goed Zeeuwen kunnen zwijgen en over de ‘Stichting Goede Verhalen’ waarvoor hij werkt. Zij zouden het geld overmaken op mijn spaarrekening. Ik luisterde naar hem en dacht tegelijk weer aan de oorlog, hoe het dan zat met Zeeland en met een Zeeuws kindervluchtpunt. De familie van Tante To had een kindervluchtpunt in Friesland, en nu bleek dat de Zeeuwse ook zo’n punt had in Zeeland.

Met mooie verhalen werd het onderduiken van kinderen verborgen gehouden. ‘Mooie verhalen’ had Tante To het genoemd. Inderdaad mooie verhalen, die de ouders van Tante To verzonnen om de vluchtelingen te beschermen op hun onderduikadres: ‘Zij waren slachtoffers en vluchtelingen. Wij moesten alles geheim houden, niemand mocht ergens iets van weten. Wij droegen dekmantels’, had Tante To mij aan de telefoon verteld. Zo had zij het ons als kind ook weer doorverteld met Jason tijdens de vertelavonden op de deel.

Ik had nog eens thee ingeschonken, toen Wim zich naar de grond bukte, waar zijn tas stond. ‘Ik heb nog iets voor u’, zei hij. ‘Er is u en uw familie iets nagelaten’. Dat klonk gewichtig, plechtig misschien. Hij overhandigde mij een stoffen doosje. ‘Ik geef het u uit naam van de hele familie Govaerds, alstublieft, voor u’, zei hij.

‘Zeeland voor ons’, stond er op de deksel. Ik deed het doosje open. Er lagen drie bijtringen in. Gemaakt van een wit materiaal en ieder met een zilveren bel er aan. Ik haalde een bijtring uit het doosje. Ik zag een afbeelding van Roodkapje met de wolf in het bos. Op de achterkant stond een naam: ‘Zacharias Govaerds’. Ik begreep het niet. ‘Wie was dit? Wat had dit te betekenen?’ Ik haalde een tweede bijtring uit het doosje. Een afbeelding van Hans en Grietje, de oven en de heks. Achterop stond: ’Pelle Govaerds’.

Verbaasd keek ik van de bijtring naar Wim en terug. Wim keek met een zachte glimlach naar mij. ‘De derde ring’, wees hij, ‘kijk maar’. Ik keek en daar zag ik ‘Benjamin Govaerds’ op staan, met op de achterzijde een afbeelding van Klein Duimpje die de laars van een slapende reus uittrekt. Wim wees nogmaals veelbetekenend naar de ring, alsof hij de naam er zelf had ingegraveerd.

‘Het staat allemaal in deze brief’, zei Wim, die een enveloppe omhooghield, ‘Deze hoort er bij, voor u, van de drie broers Govaerds’. De bijtringen waren dus van de drie broers, Zach, Pé en Ben, de neefjes! Ineens herinnerde ik me hun namen ook weer. Alledrie waren ze nu inmiddels overleden. Benjamin, de jongste was twee maanden geleden naar gene zijde gegaan.

Na de oorlog hadden zij een stichting opgericht met als doel om vergeten verhalen in ere te herstellen. Als de laatste van de drie zou overlijden zou de stichting worden opgeheven en zouden allerlei voorwerpen verbonden aan de verhalen, waaronder ook de bijtringen, de wereld ingaan. Het verhaal van de Zeeuwse, dat toentertijd door henzelf was opgetekend, werd bewaard door de kinderen van de drie broers en leden van de stichting. Nu Benjamin was overleden zou het verhaal van de Zeeuwse de wereld ingaan. Om dat te kunnen doen waren ze via via bij mij terecht gekomen.

Ik zag de lijnen en schonk Wim ondertussen een tweede jonkie in tot de rand van het glaasje. Hij vertelde me verder dat de Zeeuwse na haar scheiding van haar wiskundedokter niet in de heer was gegaan, maar in het verzet. De neefjes spuugden helemaal geen boterbabbelaars maar geheime berichten naar tussenpersonen. En de hanenknopen, die de Zeeuwse zogenaamd verkocht op de markt, bevatten boodschappen voor het ondergrondse verzet.

Trio MamaToDo was in de oorlog opgericht om onder meer een link te leggen tussen het Friese kindervluchtpunt en het Zeeuwse -punt. Mijn -toentertijd- jonge moeder, de jonge Tante To en de jonge oom Dorus hadden met hun liedteksten allerlei geheime taal verweven voor contactpersonen. Een aantal zinnen had ik dus gevonden in de archieven op zolder. Ik haalde diep even adem.

In de brief die Wim bij zich had stond verder onder meer: ‘Deze bijtringen zijn een teken van kracht, moed en trouw van een Zeeuwse vrouw en haar nazaten, waar de familie Krijger er een van is. Wij hopen dat deze ringen voor altijd een plaatsje vinden binnen de familie Krijger, opdat wij nooit zullen vergeten wat zij voor ons in de oorlogsjaren hebben gedaan en alle mooie, goede en schone verhalen een plaats in de wereld blijven krijgen…’. Wim vouwde de brief zorgvuldig weer in vieren. ‘Welnu, vervolgde hij zijn betoog, ‘Daarom heeft het de stichting behaagd u de ringen aan te reiken als aandenken aan mevrouw Aan den Oever en de drie broers -neefjes- Govaerds. Aan u, omdat u de grootste verhalenfantast bent van de familie.

Ik zat paf. Ik had voor mij en mijn familie drie bijtringen gekregen. Ik voelde mij heel even het middelpunt van alles. Nou ja, van alles? Van heel veel: van oorlog en geweld, van moed en vrijheid, van mijn familie, van het hart van de Zeeuwse, van Zeeland, van jonge jenever, mijn moeder, Tante To en Jason, oom Dorus, van daders, van slachtoffers en… van verhalen voor de wereld.  

Ik keek naar Wim. Hij glimlachte even naar me en zei toen: ‘U begrijpt het nu vast. Wij geven alleen maar de verhalen door; eigenlijk geven we ze terug. Het is u en uw familie van harte gegund met deze ringen. En dank u wel voor de prachtige brochure. Wij zullen deze laten drukken voor alle nakomelingen van de familie Govaerds en aan het bestuur en de leden van de stichting en haar achterban. Dank u wel namens ons allemaal. Wij hebben weer een doel bereikt, er is weer een verhaal in ere hersteld’.

Dat dit verhaal nog een staartje zal krijgen (zoals eigenlijk alle verhalen), dat spreekt voor zich en ook dat het doorverteld moet worden. Gelukkig heeft Wim mijn brochure en ik mijn archieven. Ik zal de bijtringen een mooi kastje geven in de gang.

EINDE
 
 
 
Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Verhalen en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Zeeuwse dekmantels en bijtringen

  1. akke brouwer zegt:

    geweldig….jammer dat het nu even stopt… ben benieuwd naar de verhalen die de ontluikende broederkaakjes in de bijtringen hebben gestanst…….
    lieve groet uit Fryslân,
    Akke

Reacties zijn gesloten.