Eetstokjes door de brievenbus als vingers

Ik had zeker de bel niet gehoord, want ineens hoorde ik zacht en geheimzinnig roepen door het open raam: ‘Hee meneer Tobert, uw venster staat open. Zeg de zomer komt binnen hoor!’. En toen er achter aan: ‘Ik ben het, ja hier, de heks van hierachter!’

Ik liep naar het raam, keek naar buiten en zag niemand, al herkende ik in de verte wel de stem. Naar de voordeur dan maar, ik deed de deur open en ja, daar stond haar loophekje. De zon lichtte het uit, als stond het op een toneel, op het punt om een monoloog te beginnen.

Ik kende haar van het Oude-van-Dagen-huis, waar ik een paar jaar geleden vrijwilliger was geweest: Coby Knijper. Een leuke vrouw, al jaren bijna honderd. Ze dróeg haar kleding en zag er altijd kleurig, modeloos en opvallend uit. Vaak had ze een puntmuts of een kapje over haar grijze hoofd.

Daar kwam ze aangeschuifeld: ‘Ik had u wel gezien, maar u mij niet. Zo gaat dat. Gaat u terug naar binnen, dan hoort u meer’. Ik wist wat mijn rol ging worden en ging naar binnen. Ik sloot nadrukkelijk de voordeur. Ze klopte aan. Ik antwoordde: ‘Verdraaid, wie is daar?’ Ik hoorde: ‘Jaja. Dat zou jij wel eens willen weten, trek maar aan het touwtje, dan doe je de brievenbus vanzelf open en laat me je vingers maar eens zien’.

Ik voelde hoe laat het was, rende naar de keuken om uit de bestekla vijf Japanse eetstokjes te halen. Die had ik snel gevonden (ik had ze de vorige keer voor nu bewaard) en liep terug naar de gang en de voordeur. De stokjes deed ik langzaam – alle vijf tegelijk – door de brievenbus. Zo was het ooit afgesproken. Ze werden aangepakt aan de andere kant van de deur. ‘Iets dikker dan vroeger, dat klopt’.

Het was even stil, alsof ze nadacht en toen kwamen de volgende zinnen: ‘Maar Hans toch, wat heb jij een grote mond! Als je ogen net zo groot zijn als die van je grootje, moet je met meer maten eten hoor! Zo word je nooit groot en sterk om, als een reus of een wolf, een huis van spek, veterdrop, chocoladetruffels en ander snoepgoed te bouwen. Kijk maar op de klok. Als jij echt wilt leren om de klok gelijk te zetten, zal de heks je niet betoveren…’. Ze wilde nog iets zeggen, maar ik zei: ‘Komt u binnen, wij gaan thee drinken’.

Ze kwam zo ongeveer één keer in de maand langs. En zoals het dan ging, zaten wij even later aan de eettafel. Ik had muziek van Bach opgezet met veel violen en fagot en ik had mijn sprookjesboek uit de kast gepakt. Ik las Coby zoals altijd het sprookje voor van een broer en een zus, Hans en Grietje.

‘Er waren eens een jongen en een meisje. Het waren Hans en Grietje. Ze lazen elkaar – al sinds hun kinderjaren – graag sprookjes voor. Ook lazen ze graag elkaars handen en dan ging het vaak over hun familie, over geboren worden-zonder-snoep-als-je-huis en hun eigen zelfbeelden. Zij verslonden zichzelf graag in al die verhalen en strooiden er soms broodkruimels en snoepgoed bij uit. Grietje uit haar schort en Hans uit zijn rugzakje. Ze aten van de spekjes, drop, gevulde koeken en al de andere lekkernijen van het huis. Daar dronken ze Fanta’s bij en bleven wel de hele nacht op, tot de eerste hanen begonnen te kraaien in de vroege ochtend.

Coby had haar beide handen stijf om het kopje van haar thee. Ze keek voor zich uit en tegelijk naar binnen. Ik las rustig, zodat de beelden van de woorden en de zinnen een weg door haar heen konden vinden.

 [Wordt vervolgd]

> Lees verder: ‘Eetstokjes opgeven en kleur bekennen’

Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Verhalen en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Eetstokjes door de brievenbus als vingers

  1. Ed zegt:

    Van metafoor tot achter: wat een mooie, diepe lagen. Goed stuk, Tobe.

Reacties zijn gesloten.