Ik zag kunst op straat, ik zag ze spelen

Vandaag zag ik kunst op straat: een man die minutenlang stil bleef staan, alsof hij iets zocht en het tegelijk ook vergat.

Er was ook een vrouw die geld ophaalde in de hoed van de man. Zij was erg trots op het bewegingsloze van hem. Dat zag ik.

Een man die bewegingloos in een uitdrukking staarde. Een vrouw die daar geld bij ophaalde. Een hele kunst. Dat nam ik op.

Een man zonder hoed staarde stil. Een vrouw haalde woordeloos geld op, dat ze er ook voor kreeg en twee kinderen, die daar dan weer viool bij speelden met hun ogen dicht.

Een man staarde en speelde dat hij zichzelf zocht en ook vergat. Een vrouw verzamelde geld. Kinderen speelden uit hun hoofd viool. Mensen keken als toeschouwers. Ik zag kunst op straat. Dag wist ik.

De beelden van de starende man, de geldophalende vrouw en de vioolspelende kinderen boeiden mijn gedachten.

Van het geld tellen ze nu nieuwe snaren voor de violen, of eten ze ervan? Zolang de kinderen blijven spelen, is er kunst op straat en toeschouwers. Dat denk ik.

Kinderen zijn de kunst voor morgen, als ze tenminste snaren kunnen kopen voor hun violen voor de toekomst. Van hun moeders die met hoeden rondgaan. Van hun vaders die bewust, heel diep en mooi stil kunnen zoeken en staren.

Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Gedichten. Bookmark de permalink .