Eetstokjes toveren en spiegelen

Het boek lag op mijn knieën. Ik had de een-na-laatste bladzijde omgeslagen en had mijn stem nog wat naar beneden verdraaid. Veel passages kende ik uit mijn hoofd, ofschoon ik ze ook graag voorlas: ‘Het klopte. Het was Hans die uitriep: Ik heb een nummer! Ik heb een nummer!

En ja hoor, hij had zijn lot. Met verwachting in zijn ogen en hoop in zijn hart keek Hans naar het bruine papiertje met ‘13’ er op. Nu had hij het lot in zijn handen, als een schooldiploma dat je denkt kwijt te zijn en ineens terugvindt na een lange tijd’. 

Coby zuchtte. Dat deed zij eigenlijk altijd bij deze passage. Dit was me de vorige keer ook opgevallen. Ik las uit mijn schoot: ‘Hans en Grietje waren inmiddels beiden 18 jaar en konden eindelijk op eigen benen staan om hun hart te volgen’. Ik stopte even omdat de mot (of was het een familielid?) door het open raam weer naar binnen was gevlogen, maar ook gelijk weer terugvloog.

Het was nu zover. Hans’ hart klopte hard. Grietje had inmiddels twee van de eetstokjes gepakt. Voor iedere hand één. Met de ene wees ze naar de oven, met de andere naar de spiegel. Voor de zekerheid keek Hans nog even naar zijn nummer. Dat was eigenlijk niet nodig, want hij wist het getal nog precies. Maar hij stond nu voor een splitsing. En hij stond daar niet alleen voor zichzelf. Hij stond daar ook voor hun beide en voor hun ouders.

Wat een lot! En Natuurlijk, hij nam de weg naar links, hij koos voor de spiegel.

Als hij had gekozen voor het lot van de oven, dan zou dat zijn geweest: Een + Drie = Vier. De I zou langzaam een U zijn geworden en dat zou geleid hebben tot Vuur. 
Hans koos voor de spiegel, die
 hijzelf was. Dat was de 1. De 3 daarnaast stond voor zijn doodgewaande vader en zijn doodgewaande moeder en natuurlijk zijn zus, Grietje.

Zij had intussen haar puntmuts op en de eetstokjes bij elkaar in haar handen. Dit was het moment om hun oude jeugd achter zich te laten en in een nieuwe te stappen. Dat wisten ze beiden.

Grietje wees en Hans liep naar de spiegel, precies wetend wat hij moest doen voor het ritueel. Zijn rechterhand legde hij op zijn spiegelbeeld, het gevende principe. Zijn linkerhand op zijn hart, het ontvangende principe. Samen prevelden ze de motivatiespreuken, die ze jarenlang geoefend hadden, wat spreekwoorden en hun gezegden en ja hoor…’. 

Coby knikte en bewoog haar lippen mee. ‘Is het verhaal nu langer of korter, dan de vorige keer’, vroeg ze ineens. ‘Moet ik anders iets opschrijven om het te onthouden misschien? Dat hoefde niet voor mij. 

‘Och’, zei ik, ‘Het is hoogstens weer iets veranderd in zinnen, maar dat merkt niemand anders, dat weten wij alleen, net als de spreuken, de gezegden en de spreekwoorden’. Ik zei het min of meer gedachteloos, maar Coby leek het goed te begrijpen, althans beter dan ikzelf.

‘Vanaf nu kon Hans met één hand wel meer dan duizend boeken in één nacht open- en dichtklappen. En dat deed hij maar wat graag. Hij hoefde nu niet meer moe of vang te zijn te zijn en thuis voor niemand te klappen (waar toch niemand het hoorde of zag, behalve Grietje maar die had immers genoeg aan zichzelf opgebouwd) , of een avondje in een café voor dronkenlappen en scharrelaars zijn handen aan zijn boeken vuil te maken’.

Coby droeg haar steentje bij en declameerde hoog uit haar hoofd: ‘Vanaf nu kon hij echt als een man doorklappen in bejaardenvakantieoorden, hondenhotels of zelfs staatsstrafgevangenissen en buitenlandse jongerencampings. Bovendien verdiende hij daar zo nog mooi een aardig zakcentje in bij voor hen beiden’. Pauze. We lachten opgetogen en Coby klapte er drie keer bij in haar handen. Alle lange woorden klonken bijna als muziek in onze oren.

Ik sloeg nu een passage over, want ik keek op de klok en keek vervolgens naar Coby en Coby keek naar mij. Het einde kwam er aan, dat wisten we en ik sloeg de bladzij om: ‘Zo leefden zij nog lang en gelukkig op hun eigen wijze. En als je hen tegenkomt in een bos, in een oord of in een straat bij jou in de buurt, kijk dan uit naar eetstokjes. Want wee je gebeente als je ze daarvan af probeert te brengen. Dan verschijnen er een heks en een boekenklapper met stokjes die – als je goed kijkt – op vingers lijken. Die wijzen je dan willekeurig een weg, waarmee je echter zo kunt verdwalen, dat je levensspoor doodloopt…’.

Coby’s ogen waren ver opengegaan. Ze zuchtte diep en straalde. We hadden weer mooi geoefend. Nu gingen we port drinken en kaas van elkaars brood eten. Dan, even na vieren, zou dan de telefoon gaan, of mevrouw Knijper weer naar het Oude-van-Dagen-huis kon komen om haar sprookje voor te lezen. De bewoners zouden al klaar zitten in de recreatiezaal. Ik zou haar dit keer de Japanse eetstokjes eens meegeven.

[Einde]

Dit bericht werd geplaatst in Tobe's Verhalen en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Eetstokjes toveren en spiegelen

  1. Theo Hoek zegt:

    Een verhaal om te lezen en nog eens te lezen. Laag na laag te ontpellen. Een wonder- en – baarlijk verhaal om stil en vrolijk van te worden. Dank u wel voor dit cadeautje, heer Krijger. Tobe or not Tobe!

  2. Ik heb net de hele eetstokjesserie nog eens achter elkaar door- en uitgelezen. Prachtige metaforen namen mij mee naar andere betekenissen in diepere lagen, spelende zinnen zetten mij op een ander been en laten mij ‘krijgertje wissselen’ tussen meerdere verhalen. Laag na laag, zin op zin… in alle betekenissen. Ontroerend mooi. En dat geldt ook voor de illustraties. Bijzonder, sprookjesachtig, in kleurrijke diepte en voelbare liefde gemaakt.

  3. Pingback: Eetstokjes als plaatsankers en wegwijzers | Tobe Krijger

Reacties zijn gesloten.